Een lidwoord (lw) hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord. Soms staat tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord nog een ander woord: het oude huis. Er zijn twee (2) soorten lidwoorden: bepaalde en onbepaalde lidwoorden.

» De en het (‘t) zijn bepaalde lidwoorden. Ze doelen op één specifiek iets, bijv. het huis aan de boulevard of de sleutel van mijn fiets. Het-woorden zijn onzijdig; de-woorden zijn mannelijk en vrouwelijk.

» Een (‘n) is een onbepaald lidwoord, bijv. een hond. Het gaat niet om één specifieke hond, maar om een hond in het algemeen.