» Het meewerkend voorwerp (mv) kan voorkomen in zinnen waarin het werkwoord aangeeft dat iets aan iemand wordt gegeven of verteld. De persoon aan wie iets wordt gegeven of verteld, noemen we het meewerkend voorwerp. Je kunt het meewerkend voorwerp vinden door de vraag: Aan (Voor) wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp (als dat er is) ? te stellen.

Een meewerkend voorwerp kan met het voorzetsel aan beginnen, maar dat hoeft niet. Als er aan voor staat moet je het weg kunnen laten. Als aan er niet voor staat, moet je het kunnen toevoegen.

Een meewerkend voorwerp kan ook met het voorzetsel voor beginnen. Het werkwoord geeft dan aan dat iets voor iemand bestemd is. Je stelt dan de vraag: Voor (Aan) wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp (als dat er is) ? Het voorzetsel voor kun je niet weglaten. Een zinsdeel dat met voor begint is niet altijd een meewerkend voorwerp.

Voorbeeld: Ik geef bloemen aan mijn oma.
pv = geef
ond = ik
wwg = geef
lv = bloemen
Aan wie geef (gezegde) ik (onderwerp) bloemen (lijdend voorwerp)? = aan mijn oma.
mv = aan mijn oma

Controle: Ik geef aan mijn oma bloemen.

Voorbeeld: Opa schenkt voor mij een glas cola in.
pv = schenkt
ond = Opa
wwg = schenkt
Voor (Aan) wie schenkt (gezegde) opa (onderwerp) een glas cola (lijdend voorwerp) in? = voor mij.
mv = voor mij