» Als er een koppelwerkwoord in de zin staat, dan heeft de zin een naamwoordelijk gezegde (nwg).
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit twee delen:
– een werkwoordelijk deel
In een zin met één werkwoordsvorm is dit de persoonsvorm. Dit werkwoord is dan koppelwerkwoord.
In een zin met meer werkwoordsvormen zijn dit de persoonsvorm en een voltooid deelwoord of infinitief. De persoonsvorm is dan een hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord of de infinitief een koppelwerkwoord.
– een naamwoordelijk deel
Dit is het deel van de zin waaraan het onderwerp is ‘gekoppeld’. Het zegt iets over het onderwerp.

Voorbeeld: De docent Nederlands is aardig.
pv = is
ond = De docent Nederlands
nwg = is aardig
[is] is het werkwoordelijk deel. [aardig] zegt iets over het onderwerp,  namelijk dat de docent aardig is, en is dus het naamwoordelijk deel. Samen vormen ze het naamwoordelijk gezegde ‘is aardig’.

Veel koppelwerkwoorden kunnen ook als een gewoon werkwoord in het werkwoordelijk gezegde voorkomen.
Voorbeeld 1: De man schijnt eerlijk.
pv = schijnt
ond = de man
nwg = schijn eerlijk.
[schijnt] = werkwoordelijk deel en [eerlijk] = naamwoordelijk deel, want eerlijk zegt iets over de man.

Voorbeeld 2: De man schijnt met een lamp.
pv = schijnt
ond = de man
wwg = schijnt
‘met een lamp’ zegt niets over het onderwerp (de man), dus er is in deze zin geen naamwoordelijk gezegde.

Voorbeeld 3: Mijn vader is vijftig jaar.
pv = is
ond = Mijn vader
nwg = is vijftig jaar
[is] = werkwoordelijk deel en [vijftig jaar] = naamwoordelijk deel, want vijftig jaar zegt iets over mijn vader, namelijk hoe oud hij is.

Voorbeeld 4: Mijn vader is op zijn studeerkamer.
pv = is
ond = Mijn vader
wwg = is
‘op zijn studeerkamer’ zegt niets over mijn vader.