» Het oorzakelijk voorwerp komt alleen voor in zinnen met een naamwoordelijk gezegde, zoals beu zijn, kwijt zijn, moe worden, schuldig zijn en waard zijn. Al deze gezegdes hebben een aanvulling nodig die aangeeft wát er kwijt is, wát iets waard is, etc. Deze aanvulling wordt oorzakelijk voorwerp genoemd.
Het oorzakelijk voorwerp heeft ongeveer dezelfde kenmerken als een lijdend voorwerp, maar een lijdend voorwerp komt niet voor in zinnen met een naamwoordelijk gezegde. Je zou ook ongeveer dezelfde vraag kunnen stellen als bij een lijdend voorwerp.

Voorbeeld: Mike was zijn iPhone kwijt.
pv = was
ond = Mike
nwg = was kwijt
‘was kwijt’ is hier het naamwoordelijk gezegde. Wat was Mike kwijt? = zijn iPhone.
‘Zijn iPhone’ is hier het oorzakelijk voorwerp. Het geeft aan wat Mike kwijt is.