De persoonsvorm is een werkwoordsvorm. Vaak is het eerste werkwoord in een zin, maar dit hoeft niet zo te zijn. De persoonsvorm zegt iets over de tijd waarin de zin staat, of de zin in de eerste, tweede of derde persoon staat en of de zin in het enkelvoud of meervoud staat.

Er zijn drie manieren waarop je de persoonsvorm in een zin kunt vinden.

  1. De zin in een andere tijd zetten.
  2. Een vraagzin maken.
  3. De getalproef

» De zin in een andere tijd zetten / de tijdsproef.
Je kunt een zin van de tegenwoordige tijd in de verleden tijd zetten en andersom. De persoonsvorm verandert dan.
Bijv. Patrick loopt met de hond een rondje door het park. (tt)
Als je de zin in een andere tijd zet, krijg je:
Patrick liep met de hond een rondje door het park.(vt)
Loopt is de persoonsvorm in deze zin.

» Een vraagzin maken.
Je kunt de zin in een vragende vorm zetten. De persoonsvorm staat dan vooraan in de zin.
Bijv. Mike koopt een broodje bij de bakker.
Als je een vraagzin maakt, krijg je:
Koopt Mike een broodje bij de bakker?
De persoonsvorm is koopt.

» De getalproef.
Je kunt van het onderwerp enkelvoud of meervoud maken. De persoonsvorm verandert dan.
Bijv. De voetballer rent over het veld.
Als je het woord ‘voetballer’ in het meervoud zet, krijg je:
De voetballers rennen over het veld.
Rent is dus de persoonsvorm.