Op de hofdag van de leeuw koning Nobel, een pinksterdag, reppen alle hovelingen zich naar het hof. Alleen Reinaert de vos laat verstek gaan. Dat heeft een reden. Het ene na het andere dier doet zijn beklag over de vos. Uiteindelijk is de komst van de haan Cantecleer met zijn dode dochter op een baar de aanleiding voor Nobel om zijn leenman te dagen. De trouwe vazal Bruun de beer wordt op pad gestuurd om dit te doen. Hij krijgt echter een behoorlijk pak ransel, dankzij de valstrik die Reinaert voor hem legt. Gehavend weet Bruun nog net het hof te bereiken om melding te maken van Reinaerts streken. Een tweede vazal gaat, minder naïef, op pad. Desondanks wordt ook deze vazal, Tibeert de kater, het slachtoffer van zijn eigen vraatzucht. Ten slotte wordt Grimbeert de das, een oomzegger van Reinaert, eropuit gestuurd. De slimme vos lijkt berouw te tonen. Na het biechten komen ze aan bij het hof. Reinaert wordt ter dood veroordeeld en de galg wordt gereedgemaakt. Maar Reinaert heeft nog een verrassing in petto. Terwijl hij veinst dat hij publiekelijk schuld wil bekennen, dist hij een nieuw verhaal op. Het rijk van koning Nobel wankelt door toedoen van deze schurk.