Met een voorzetsel kun je een plaats, tijd en relatie aangeven. Voorzetsels komen nooit alleen voor.

Voorzetsels staan aan het begin van een zinsdeel met een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord:
Zij gaan met vakantie naar Noorwegen. Geef het maar aan haar.
Een aparte groep vormen de voorzetselverbindingen. Dit zijn verbindingen van een zelfstandig naamwoord en twee voorzetsels: ter voorkoming van, in combinatie met, ter verlichting van enz