» Het voorzetselvoorwerp (vzv) begint altijd met een voorzetsel. Dit voorzetsel is vast bij een zelfstandig werkwoord of naamwoordelijk gezegde van de zin. Dit voorzetsel kun je niet vervangen door een ander voorzetsel.

Een voorzetselvoorwerp begint net als veel bijwoordelijke bepalingen met een voorzetsel. De zinsdelen lijken veel op elkaar, maar er zijn verschillen.
– Als het voorzetsel iets over een plaats of tijd zegt, is het een bijwoordelijke bepaling. Voorbeeld: Ik wacht in het bushokje.
– Als het voorzetsel door een ander voorzetsel kan worden vervangen, is het een bijwoordelijke bepaling. Voorbeeld: Ik wacht naast het bushokje.

Voorbeeld: De docent twijfelt aan de inzet van de leerling.
aan is het vaste voorzetsel bij het werkwoord twijfelen.