» Het werkwoordelijk gezegde (wwg) bestaat uit alle werkwoorden uit de zin. Het werkwoordelijk gezegde kan uit één of meer werkwoorden bestaan.

1. Kris maakt elke dag zijn huiswerk.
2. Vandaag hebben alle leerlingen het huiswerk gemaakt.

Zin 1 heeft één werkwoord, namelijk de persoonsvorm maakt. Het werkwoordelijk gezegde bestaat dus uit één werkwoord.
wwg = maakt

Zin 2 heeft twee werkwoordsvormen, namelijk de persoonsvorm hebben en het voltooid deelwoord gemaakt. Het werkwoordelijk gezegde bestaat hier dus uit twee werkwoorden.
wwg = hebben gemaakt.

Opmerking 1
Als een werkwoord gesplitst is, horen beide delen bij het gezegde:
Voorbeeld: Moeder maakt het bed op.

Opmerking 2
Bij sommige werkwoorden hoort altijd een wederkerend voornaamwoord. Vergissen bijvoorbeeld kan niet zonder voornaamwoord: Ik vergis me, wij vergissen ons etc. Het voornaamwoord hoort dan bij het gezegde. Bij andere werkwoorden kan je het wederkerend voornaamwoord vervangen door een ander woord: Hij wast zich.
Hij wast haar. (zich/haar = lijdend voorwerp)

Opmerking 3
Als er voor een infinitief ‘te’ of ‘aan het’ staat hoort dat bij het gezegde.
Voorbeeld: De buurman staat te praten.
wwg = staat de praten.

Voorbeeld: Op het Cruyff Court is hij aan het spelen.
wwg= is aan het spelen

Opmerking 4
Soms bestaat het werkwoordelijk gezegde uit een werkwoordelijke uitdrukking (referentieniveau 2F). Een werkwoordelijke uitdrukking bestaat uit een werkwoord en een paar andere woorden. Je kunt een werkwoordelijke uitdrukking meestal vervangen door een werkwoord met dezelfde betekenis.
Voorbeelden:
Toen er een agent aankwam, kozen ze het hazenpad.
kozen het hazenpad = een werkwoordelijke uitdrukking (= vluchten)
Hij stelde haar van het nieuws op de hoogte.
stelde op de hoogte = een werkwoordelijke uitdrukking (= inlichten)
Na nog een hartaanval gaf hij de geest.
Gaf de geest = werkwoordelijke uitdrukking (=overlijden)