» Zelfstandige werkwoorden zijn werkwoorden die op zichzelf een gezegde kunnen vormen.
Ik wil dansen. (dansen kan alleen een werkwoordelijk gezegde vormen: Wij dansen.).

» Koppelwerkwoorden zijn werkwoorden die een naamwoordelijk gezegde helpen vormen.
Er zijn negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.
Hij wordt leraar. Hij is oud. Hij blijft vervelend.

» Hulpwerkwoorden helpen een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde vormen. Hulpwerkwoorden kun je altijd weglaten in een zin. We onderscheiden:
– hulpwerkwoorden van tijd: hebben, zijn en zullen.
Ik zal morgen gaan sporten. Mijn zus heeft kilometers gelopen. Hij is weggegaan.
– hulpwerkwoorden van de lijdende vorm: worden en zijn.
Je wordt door hem bedrogen. Mijn fiets is gemaakt door Leo.
– de overige hulpwerkwoorden: kunnen, mogen, moeten, willen, laten enz.
Ik wil wel komen. Ik kan niet komen. Je moet hem halen.